Terug naar de homepage
Welkom bezoeker
   
Log in voor de ledensectie Stuur een bericht naar het bestuur van Diving Zaventem
Ga terug naar de hoofdpagina

't Plonske 

Inhoudstafel
Vorige | Inhoud | Volgende

Noordzeeduik op de 3 kruisers

22 September 1914

Die ochtend in de beginmaanden van de eerste wereldoorlog patrouilleren drie Engelse pantserkruisers op de Noordzee, ter hoogte van de Nederlandse kust. De Cressy, de Hogue en de Aboukir waren bij hun tewaterlating in 1900 nog vernieuwende boten geweest, de eerste Engelse kruisers met een stalen pantserhuid. Maar in 1914 zijn het verouderde, want trage, met kolen gestookte schuiten, die bovendien met reservisten en kadetten bemand zijn.

De Aboukir in betere tijden

De Engelse patrouille is vooral beducht voor aanvallen van Duitse oppervlakteschepen, want duikboten hebben in 1914 eigenlijk nog niets bewezen als wapen. Niet ver van hun vandaan krijgt de U-9, één van de slechts achtentwintig U-boten van de Kaiserliche Marine, de drie kruisers echter in het vizier. Kapitein Otto Weddingen van de U-9 maakt zich klaar om ongemerkt aan te vallen. Om 7u25 laat hij één enkele torpedo richting Aboukir afvuren. De stalen pantsering van de Aboukir is niet bestand tegen de kracht van de torpedo en onmiddelijk gutst water de machinekamer binnen. De kapitein beseft dat het schip niet te redden is en geeft bevel het schip te verlaten. Slechts een half uur na de torpedo-inslag slaat de kruiser om en zinkt. In plaats van zich in veiligheid te brengen, is de Hogue dichterbijgekomen en heeft de machines stilgelegd om drenkelingen uit het water te vissen. De U-9 heeft zich ondertussen in een nieuwe positie gemanoevreerd en schiet twee torpedo’s van dichtbij op de Hogue. De torpedo’s slaan een groot gat in de machinekamer en de boot maakt snel water. Kort daarop ontploft het munitiemagazijn. Slechts vijftien minuten nadat de Aboukir gezonken is, verdwijnt ook de Hogue onder de golven.

De Aboukir maakt slagzij, terwijl de Hogue ter hulp komt

Onbegrijpelijk laat ook de kapitein van de Cressy de machines stoppen om de drenkelingen van de Aboukir en de Hogue op te pikken. Kapitein Weddingen is echter niet van plan de strijd te staken. Van zo’n duizend meter afstand krijgt hij de flank van de Cressy in het vizier van de periscoop, en laat twee torpedo’s afvuren. Eén van de torpedo’s mist de Cressy net, maar de andere raakt doel. De Cressy is niet dodelijk beschadigd, maar de U-9 heeft nog één torpedo over, en plaatst om 8u35 een laatste voltreffer. Slechts vijftien minuten later kapseist ook de Cressy en zinkt.

Twee Engelse vissersboten en twee Nederlandse vrachtschepen komen overlevenden oppikken. 1489 zeelieden hebben hun leven gelaten, en slechts 837 drenkelingen kunnen gered worden.

20 September 2003

Een snelle RIB (Rigid Inflatable Boat) met zeven duikers komt aan op de plaats waar zich, bijna dag op dag 89 jaar geleden, een drama heeft afgespeeld. De RIB is eigendom van Ludo van de Genkse Koraalduikers, en onder de andere bemanningsleden herkennen we Rudy, Wilfried, Walter, Michel en Stijn van “den Diving”.

Ludo met zijn Marie-Louise

Ondanks de snelheid van 29 knopen die de boot ontwikkelt, duurde het toch ongeveer anderhalf uur om de duikplaats te bereiken. Maar het weer is prachtig, het is springtij, en slechts kleine golfjes bedekken het wateroppervlak; ideaal weer voor een Noordzeeduik. Met behulp van de GPS is de positie van de Cressy gauw gevonden, en reeds bij de eerste poging verschijnt op de fish finder een echo op –25m, waar de bodem hier op ongeveer 30 meter ligt. Wilfried werpt het dreganker en we liggen vast. Twee Zodiacs die al op de duikplaats aanwezig waren maken van onze positiebepaling gebruik om enkele meters van ons vandaan ook op de Cressy te ankeren.

Michel en ikzelf zijn de eerste ploeg. We laten ons langs de ankerlijn zakken en komen op de flank van de Cressy terecht. Het is een aangename verrassing dat er bijna geen stroming staat, en ook het zicht is ongewoon goed: zo’n 10 à 15 meter. De klaarheid is bedrieglijk, want ondanks dat alles zonder lamp nog goed zichtbaar is, zitten we op een diepte van 30 meter. Ik haak mijn reel vast op de ankerketting en we vertrekken. Wanneer we over de gepantserde flank heen gezwommen zijn, treffen we een schroothoop van balken en platen aan. Af en toe zijn er herkenbare stukken van leidingen of van elektrische kasten. Vooral bundels “spaghetti” trekken onze aandacht. We vermoeden dat het springstof is (en inderdaad, een zoektocht op internet leerde me dat dit staven cordiet zijn, een springstof die toendertijd in hulzen gebruikt werd). Nadat het touw van 80 meter afgerold is, moeten we terugkeren. Het onderwaterleven is niet zo rijk als op andere Noordzeewrakken. De wrakstukken zijn niet zo dicht begroeid, maar de alomtegenwoordige steenbolken en noorzeekrabben zijn ook hier van de partij, en in een holte vinden we een zeldzame kabeljauw. Na de stijging doen we op 3 meter de aangegeven 4 minuten trap, en laten ons aan boord heisen. Iedereen is opgetogen over de prachtige duik, alhoewel Wilfried, Rudy en Walter niet zo erg veel gezien hebben, omdat ze een verkeerde richting op het wrak gekozen hebben.

Wegens het succes zullen we ook onze tweede duik op één van de kruisers maken. Ludo heeft nog nooit op de Hogue geankerd, en vermits we toch zes uur moeten dobberen om op het volgende keerpunt van de stroming te wachten, zullen we de Hogue proberen te vinden. Op de plaats van de coordinaten die Ludo in zijn GPS heeft, is er geen wrak te bekennen, en ook op coordinaten die ik van het internet geplukt heb, is er alleen een vlakke bodem op de fish finder te zien. Na een uur op en af varen op de vermoedelijke zinkplaats, geven we het op en richten we ons naar de Aboukir. Het wrak is onmiddelijk gelocaliseerd, maar de stroming is zo zwak dat het anker niet wil pakken. Ludo gooit de motor stil, en we laten ons drijven. Zelfs een uur later zijn we maar een honderd meter van onze plaats bewogen. Ondertussen houden we ons bezig met eten, zonnen en sterke verhalen uitwisselen. We trachten ook de beste manier te ontdekken om van een RIB in het water te plassen.

Wanneer de tijd dan eindelijk gekomen is, kruipen we terug in onze pakken, die ondertussen in de zon gedroogd zijn. Als we ons langs de ankerlijn hebben laten zakken, blijkt dat het anker dit keer op een prachtige plaats licht. Het schip is er compleet opengereten, en door het ideale zicht zien we de spanten metershoog boven ons uittorenen. Onder ons ligt het bezaaid met kratten vol patronen. Ook de cordietstaven zijn weer massaal aanwezig, meestal in koperen munitiekisten. Er is zo mogelijk een nog beter zicht en minder stroming dan tijdens de voormiddagduik. De ploeg van Wilfried, Rudy en Walter vertrouwt zelfs op het oriëntatievermogen om achteraf de ankerlijn terug te vinden, maar er is dan ook voldoende te zien rondom het anker. Spijtig genoeg hebben we maar vijf uur oppervlaktetijd gehad, zodat we al vlug terug trappentijd aan onze laars gelapt krijgen. Wanneer we vijf minuten trap op onze computer zien, moeten we met pijn in het hart toch opstijgen.

Tegen dat iedereen terug aan boord is, het materiaal opgeborgen en de flessen vastgesjord, begint het al te schemeren. We stomen anderhalf uur lang door het duister en krijgen dan Neeltje Jans terug in het zicht. We concluderen allemaal dat dit de beste Noordzeeduik tot nu toe was.

Stijn